Geschiedenis

Katholiek Harderwijk na 1850

De Katholieke geschiedenis van Harderwijk begon al rond de stichting van de stad. Hierover is weinig bekend. In 1231 kreeg Herderewich stadsrechten. Over de Katholieke geschiedenis van de Late Middeleeuwen, de Reformatie, de Contrareformatie en de tijd van onderdrukking die hierop volgde, volgt binnenkort meer. Allereerst zal de meest recente geschiedenis worden weergegeven in een kort verhaal.

In 1851 besluit paus Pius IX (r. 1846-1878) de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland te herstellen. Door de liberale grondwet van 1848 was de scheiding van kerk en staat tot stand gekomen, waardoor de paus vrij was deze beslissing te nemen. In 1853 kwam het tot een werkelijk herstel van de hiërarchie, in 1855 werd de Parochie St. Martinus te Harderwijk opgericht. De parochie werd, zoals het canoniek recht het voorschreef, genoemd naar de residerende parochiekerk, de Martinuskerk aan de Grote Poorstraat. Het gebouw werd in 1805 gekocht en drie jaar later in gebruik genomen door de parochie. Tijdens het ‘leven’ van de Martinusparochie gebeurde een hoop in Katholiek Harderwijk. De lange tijd achtergelegen bevolkingsgroep emancipeerde, men werd voor het eerst sinds de Reformatie als volwaardig burger gezien.

Interieur van de Martinuskerk omstreeks 1910 (Parochiearchief)

Interieur van de Martinuskerk omstreeks 1910 (Parochiearchief)

Dit is onder meer te zien in de sociale posities die Katholieken gedurende de jaren 1860 innamen. Johannes Hendrikus Hulsink (1812-1884) was voorzitter van Kamer van Koophandel (sinds 1859) en raadslid. Tevens was hij voorzitter van de Choleracommissie, die in 1866 werd opgericht en drie jaar later verdween. Hulsink was lid van de heersende Harderwijker elite1. Ook Hermanus van de Weijer (1842) werd raadslid en lid van de Choleracommissie. Eerder was de rentenier Franciscus van Erckelens (1764-1848) wethouder geweest.

In 1869 werd besloten een Piusgesticht te stichten, een stichting die de oprichting van een Katholieke lagere school tot doel had. Het idee kwam van de jeneverstoker en kerkmeester Johannes Hendrikus Hulsink, het bovengenoemde raadslid. Pastoor Kanne paste het voorstel aan, en richtte een fonds op voor een breder, algemeen doel. De stichting werd genoemd naar de paus, verantwoordelijk voor het herstel van de Katholieke identiteit, die dat jaar zijn gouden priesterfeest vierde. In 1873 werd een bewaarschool geopend in de Hondegatstraat. In 1880 zou deze school worden uitgebreid met een naai- en breischool. In 1887 werd een groot pand in de Bruggestraat, op de hoek van de Rabbistraat, gekocht door het kerkbestuur, en de Zusters van St. Jozef in Amersfoort, kregen de leiding over dit Pius Gesticht. Hier werd lager onderwijs gegeven, ouderen werden verzorgd (‘pensiongasten’) en de zusters verzorgden in en buiten het gesticht de zieken. In 1888 werd het Gesticht officieel geopend.2

De parochie had een duidelijke plek gekregen in de stad. Maar ook buiten Harderwijk woonden parochianen, voornamelijk in Ermelo, Hierden, Hulshorst, Nunspeet, Elspeet, Doornspijk en Elburg; zo ongeveer de gehele Noordwest Veluwe.

Na een periode van honderd jaar was het gebouw aan de Grote Poorstraat enorm vervallen. Een nieuwe weg werd ingeslagen. Op voorspraak van pastoor Jan van Schaik werd de Catharinakapel, voormalige kloosterkapel aan het Klooster, door het parochiebestuur gekocht. Deze unieke dubbelkerk was sinds de Reformatie als bibliotheek, Waalse kerk en laatst als militaire bakkerij in gebruik geweest. De vervallen kerk werd gerestaureerd door Jos Cuypers, de gelden werden ingezameld door parochianen en Katholieken van buiten de parochie. In 1913 werd de kerk gewijd door Mgr. Hendrik van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht, met een twintigtal geestelijken aan zijn zijde. Onder de vele aanwezigen was baron Van Wijnbergen, nazaat van de stichter van het Catharinaklooster. Sinds de wijding is ook de naam van de parochie veranderd, waarover later nog enige discussie is ontstaan. Het jaar 1913 is hiermee het stichtingsjaar van de Parochie H. Catharina.

De Catharinakapel (Parochiearchief)

De Catharinakapel (Parochiearchief)

 

De parochie stond zo nog sterker in haar schoenen. De zeer actieve pastoor Jan van Schaik, later bekend geworden in de Katholieke arbeidersbeweging, heeft bijgedragen aan de plaatsing van de parochie in het Harderwijker stadsbeeld. Er was echter nog steeds wrijving. De burgemeester groette de pastoor nog altijd niet, zoals later bleek uit een interview met de toen beroemde Van Schaik. Het handelen van de toenmalige burgemeester Kempers kan het best worden gezien als pestgedrag. De Katholieken werden echter niet door iedereen op deze wijze behandeld.

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit, wat onmiddellijk voor een groei van de parochie zorgde. Vele Belgische vluchtelingen, in Harderwijk opgevangen, werden in de Katholieke parochie gedoopt. In de regio zorgde de komst van de vluchtelingen voor meer geestelijkheid. Naast het Harderwijker vluchtelingenkamp was ook een kamp in Nunspeet gevestigd, waar aalmoezeniers de zielzorg op zich namen. Later zouden Franciscanen de parochie Nunspeet oprichten, waardoor de parochie Harderwijk tot rond 1960 uit Harderwijk, Hierden en Ermelo zou bestaan.

Na de oorlog kwam de parochie in een rustig vaarwater. In de oorlogsjaren hadden pastoor en parochianen zich positief opgesteld, door zielzorg te verlenen aan de Belgen. Maar ook de plaats van het Pius Gesticht in het sociale leven was niet onopgemerkt geweest. De militairen in Harderwijk zorgden ook voor een aanwas van de betrekkelijk kleine parochie, een jaar na de oorlog werd een Katholiek Militair Tehuis (KMT) door de Roomsch Katholieke Vereeniging St. Martinus opgericht. Voorzitter van de vereniging was natuurlijk pastoor Van Schaik, opvallend genoeg waren burgemeester Kempers, zelf voormalig koloniaal militair, wethouder Stute en de gereformeerde gemeentesecretaris Sonke aanwezig bij de opening.3 Dit KMT was gevestigd naast de pastorie, in de Donkerstraat.

In 1919 vertrok pastoor Van Schaik naar de Martinusparochie in Utrecht (zijn hele leven had hij in Martinusparochies gewerkt, in Groningen, Harderwijk (tot 1913) en nu weer in Utrecht). De parochie raakte een charismatisch en ondernemend herder kwijt, en na zijn tijd was de situatie, waarin de parochie verkeerde, stabiel. Het Pius Gesticht groeide met de jaren uit tot een ziekenhuis, nog altijd onder de hoede van de zusters van St. Jozef. Er kwamen hierdoor meer zusters in Harderwijk te wonen en te werken.

In de Tweede Wereldoorlog werd de parochie wederom middenpunt van de samenleving. De pastoor, Hoogstraten, ving samen met de zusters in het Pius Gesticht vele Joden, onderduikers en verzetsmensen op. Dit heeft de Katholieke parochie goed gedaan, de zielzorg kwam zo in zijn meest letterlijke vorm naar buiten. De Harderwijker bevolking bedankte de “zusters van Pius” na de oorlog met een oorkonde voor het stille liefdewerk, dat zij in de oorlogsjaren hadden verricht. Voor het geld werd een mozaïek, dat de Barmhartige Samaritaan voorstelde, aangekocht. Wat er precies in Pius is gebeurd, zal nooit helemaal duidelijk worden. De zusters hebben zich hierover nooit uitgesproken, omdat zij het als een christelijke plicht zagen. Vele huiszoekingen in Pius zijn echter gevoerd, welke meestal tot niets zouden leiden. De rol van pastoor Hoogstraten is zeer belangrijk in het geheel.4

In 1942 was het Piusgesticht in de Bruggestraat aan de Congregatie van St. Jozef in Amersfoort verkocht. Na de bezetting werd ook Huis Westerholt aan de Smeepoortstraat verkocht, in de oorlog in handen geweest van de Duitse bezetter, die er zijn veldhospitaal had gevestigd. De bezetter had in 1942, voor de wapenindustrie, de kerkklokken in beslag genomen.

Tijdens de oorlog zijn, na het drama van Putten in oktober 1944, vijf parochianen overleden. In de nacht van 30 september 1944 pleegde een verzetsgroep een aanslag op een auto van de Wehrmacht, op de Oldenallerbrug bij Putten. Als represaillemaatregel werden alle mannen, tussen 18 en 50 jaar, uit Putten weggevoerd naar Kamp Amersfoort. Wim Kienhuis (33), Gerard Schiffmacher (27), Cor Steijlen (45) en Johan Thomas (37), toevallig in Putten, werden meegenomen en overleden in Duitse kampen.

Na de oorlog pakte men de draad weer enigszins op. De Verzuiling vierde haar hoogtijdagen, terwijl in de oorlog door diverse bevolkingsgroepen zo nauw was samengewerkt. Zo werd de Katholieken geadviseerd hun waren te kopen bij de Katholieke middenstand. Logisch, het kerkbestuur bestond grotendeels uit de rijkere middenstanders.

De komst van grote groepen militairen naar Harderwijk en Ermelo zorgde voor een explosieve groei van de parochie. Binnen de parochie speelden deze militairen een grote rol. De militair Martin van Knippenberg werd kerkmeester, vele van zijn collega-Irenemannen was parochiaan. Tot op de dag van vandaag is dit merkbaar, veel parochianen hebben een vader of grootvader, die als militair naar Harderwijk is gekomen. De tijdens de bezetting ontbonden Roomsch Katholieke Militaire Vereeniging “St. Martinus” werd in 1947 heropgericht. Ook het KMT was weer in gebruik. In 1958 werden de tehuizen in Harderwijk en Ermelo overgedragen aan de Centrale van Katholieke Militaire Tehuizen.

Steeds meer activiteiten kregen een militair karakter. Zo werd de H. Sacramentsprocessie naar Huis Westerholt in 1948 door militairen begeleid, was Van Knippenberg in 1957 bij de opening van de Katholieke kleuterschool in uniform gekleed en was menig militair in vol ornaat aanwezig bij de wijding van de Catharinakerk in 1963.

H. Sacramentsprocessie naar Huis Westerholt in 1948 (Parochiearchief)

H. Sacramentsprocessie naar Huis Westerholt in 1948 (Parochiearchief)

In 1950 komt het dan eindelijk tot de oprichting van een Katholieke basisschool. De oude bewaarschool van het Pius Gesticht werd in 1952 gesloten, maar veel aandacht voor die bewaarschool was er al lang niet meer. De Dominicus Savioschool, eerst in het KMT in de Donkerstraat gevestigd, kreeg in 1953 een nieuw onderkomen aan de Hoofdweg. Vier jaar later werd de kleuterschool naast de basisschool gebouwd. Zuster Nolasca, wonende in Westerholt en zuster van de Congregatie van St. Jozef, werd kleuterleidster.

Doordat de Abdij van Berne in Heeswijk niet genoeg ruimte bood, werd in 1950 kasteel De Essenburgh in Hierden aangekocht door de paters Norbertijnen. Twintig Norbertijnen kwamen naar het nieuwe studiehuis, later werd De Essenburgh een priorij. Een nieuwe impuls voor de regio, en een belangrijke priorij voor de toekomst van de parochie.

In 1957 overleed pastoor Ter Meulen, die vanaf 1946 in Harderwijk zijn ambt had vervuld. Hij overleed in de tuin van De Essenburgh, vrij onverwacht. De jonge Ter Meulen werd opgevolgd door de 42-jarige Karel Mars, die zijn stempel zou drukken op de emancipatie van het Katholiek volksdeel van Harderwijk. Hoewel van een werkelijke emancipatie geen sprake was, heeft Mars op zowel parochieel als maatschappelijk gebied een belangrijke rol gespeeld in Harderwijk. In 1959 werd hij tevens deken van het nieuw opgerichte dekenaat Harderwijk.

De Catharinakapel in de stad was te klein geworden. Daarom werd er door parochianen tevens gekerkt in de Oranje-Nassauschool aan de Nassaulaan. Begin jaren zestig werd besloten de oude kerk te verkopen en een nieuwe parochiekerk te laten verrijzen. De nieuwbouwwijk Stadsdennen werd de ideale plaats voor deze kerk. Aan de Stadsdennenweg, later Hoofdweg, liet architect Herman van Putten (1905-1966) een nieuwe Catharinakerk optrekken. Een uiterst modern gebouw, waardoor Van Putten al snel tot een ‘durver in de kerkbouw’ gerekend werd. Op 7 maart 1962 werd begonnen met de bouw, 30 juni van dat jaar werd de kerk geconsacreerd door Z.Em. Bernardus kardinaal Alfrink, aartsbisschop van Utrecht, bijgestaan door Mgr. Toon Ramselaar, president van het Kleinseminarie te Apeldoorn, pastoor-deken Karel Mars, en een groot aantal geestelijken en misdienaars.

Consecratie Catharinakerk: het einde van het Rijke Roomse Leven (Parochiearchief)

Consecratie Catharinakerk: het einde van het Rijke Roomse Leven (Parochiearchief)

Consecratie van de altaartafel door Bernardus kardinaal Alfrink (Parochiearchief)

Consecratie van de altaartafel door Bernardus kardinaal Alfrink (Parochiearchief)

Tijdens de wijding van de kerk zijn velen aanwezig. Dit was het hoogtepunt van het Rijke Roomse Leven in Harderwijk. Verkenners van de Pater Verbraak/Margrietgroep, Zusters van St. Jozef uit Westerholt, Paters Norbertijnen van De Essenburgh en een kerkplein vol parochianen, die aandachtig toekijken, hoe de parochiekerk wordt gewijd door een processiestoet van geestelijken. Dit beeld zou nooit meer terugkeren in Harderwijk.

Aan het begin van de jaren zestig besloot het kerkbestuur, dat een Katholieke basisschool niet genoeg was. Een school voor voortgezet onderwijs zou moeten ontstaan, in de vorm van een Rooms Katholieke Uloschool. Op 23 december 1963 besloot ook de gemeente Harderwijk zich in te zetten voor een dergelijke vorm van onderwijs binnen de gemeente, op 1 september 1964 werd het startsein gegeven voor het eerste schooljaar van de Rooms Katholieke Ulo “Seger Stevens”, later Mavo met dezelfde benaming. De eerste lokalen waren gevestigd aan het Kerkplein, in de Jan Ligthartschool. In 1964 waren 58 leerlingen ingeschreven, twee jaar later waren dit er 121. In 1967 werden op het Hoge Pad twee nieuwe lokalen gebouwd, waar de Ulo in 1969 in zijn geheel heen verhuisde. Een jaar later telde de school 9 lokalen. Tijdens het tienjarig jubileum in 1974 barstte de school wederom uit haar voegen. Na 26 jaar werd de school in 1990 opgeheven.

In 1982 werd pastoor Mars vervangen door Coen Negenborn. Deze Norbertijn was al werkzaam in het pastoraat in de regio, maar kon zich nu toeleggen op de Catharinaparochie. Hij werd de laatste pastoor van Harderwijk. Zijn uitvaart in 2000 werd druk bezocht, zijn invloed op de parochie was groot. De parochie was door Negenborn gemoderniseerd, en al onder Mars werden parochianen ingezet in de zondagsdiensten. De parochie, zoals deze nu bestaat, is een erfenis van Mars en Negenborn.